De Tempel en de Islam

Moderne kruisvaarders moeten Europa opnieuw redden van het islamitische spook. Om dat te bewerkstelligen richt de Noorse schutter Anders Breivik in 2002 in Londen een nieuwe Orde van Tempeliers op. Hij zegt zijn inspiratie te ontlenen aan de machtig en rijke kruisvaarderorde uit de Middeleeuwen. Breivik ziet deze Tempelorde als een West-Europese verzetsbeweging, waarvoor hij zelfs gebruikt maakt van de historische Latijnse naam: Pauperes commilitones Christi Templique Solomonici (PCCTS). Letterlijk vertaald staan deze woorden voor: ‘ de arme ridders van Christus en de tempel van Salomo’.

Wie waren de Tempeliers? Klopt hun historische rol wel met de fantasie van Breivik over een nieuwe Orde die de politieke en militaire macht moet afpakken van de West-Europese multiculturalistische regimes? Het lijkt op het eerste gezicht geen gekke kwajongensgrap om de tempelridders van toen weer eens van stal te halen om de verraders van nu te berechten en te straffen. De Orde van de Tempeliers is per slot van rekening in het leven geroepen ten tijde van de eerste kruistochten, met als taak om de ongelovigen te bestrijden en het Heilige Graf (Jeruzalem) tegen de moslims te beschermen. Maar er zitten de nodige haken en ogen aan Breiviks keuze.

Allereerst was het anti-islamisme geen vrijwillige keuze van de Tempelridders, maar van de pauselijke stoel. Het ging vaak om berooide edellieden die iets op hun kerfstok hadden en de kans kregen hun zonden schoon te wassen door het Heilig Graf te beschermen. Ze vielen daarbij rechtstreeks onder pauselijk gezag. Negen Franse ridders hebben in 1118 de gelofte van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid afgelegd. Ze droegen een witte mantel met een rood, achthoekig tempelkruis. De Orde van de Tempeliers heeft zich vanaf haar oprichting zeer snel uitgebreid. En ze heeft zich ondanks haar rijkdom helemaal afgekeerd van de banden met kerk en staat, door wie ze zich bedrogen voelde. In en om Jeruzalem moeten er een kleine 2500 Tempeliers zijn geweest. Naar schatting groeide het ledental rond 1300 in West-Europa uit naar een kleine dertigduizend met een gezamenlijk vermogen van 54 miljoen francs, wat in die dagen een onvoorstelbaar bedrag was. Tegen het midden van de twaalfde eeuw was de orde begonnen zich te vestigen als de rijkste en machtigste instelling binnen het christendom, de pauselijke stoel uitgezonderd.

Omstreeks 1306 verheugde de Tempel zich in de speciale aandacht van Philips de Schone. Hij was enorm eerzuchtig en had weinig clementie met wie hem daarbij in de weg stond. Zo had hij naar verluidt de moord op de pausen Bonifatius VIII en Benedictus XI op zijn geweten. In 1305 heeft hij zijn eigen marionet, paus Clemens V, op de Pauselijke stoel gezet. Philips had dringend geld nodig en de tempelschat moet hem hebben doen watertanden. Tempeliersgrootmeester Jacques de Molay werd in de val gelokt. De beschuldigingen: verloochening van Christus, loslaten van de kerkelijke leer, schandalisering van het Kruis, aanbidding van de afgod Baphomet, beoefening van zwarte kunst, homoseksualiteit en pederastie. De paus deed De Molay in de ban, die uiteindelijk op de brandstapel ter dood werd gebracht.

Dankzij de bezittingen, de mankracht, de diplomatieke vaardigheden en oorlogsexpertise had de tempelorde enorme politieke en militaire macht. Het verhaal doet echter de ronde dat de Tempeliers een geestelijke omwenteling hebben doorgemaakt door hun contacten met joden en moslims in het toenmalige nabije Oosten. Joden, christenen en moslims bleken gezamenlijk lid te zijn van de lichtbroederschap van Ormoez, die verdraagzaamheid en tolerantie voorstonden. En de tempelridders kregen een zekere mate van vertrouwelijkheid in de omgang met de islamitische Saracenen. Met hen hadden ze destijds verdragen gesloten om het Heilig Land in invloedssferen te verdelen. Het verhaal gaat dat Robin Hood de Saraceens leider Saladin zelfs mee heeft genomen naar Engeland. Het anti-islamitische sentiment van de toenmalige kerk werd omgezet in een betekenisvolle interreligieuze dialoog met de moslims. De Tempelridders kregen een schat aan esoterische kennis en werden de voorlopers van de religieuze humanisten. Als Breivik deze kennis had gehad, zou hij waarschijnlijk voor een ander symbool hebben gekozen.

Binnen de wereld van de vrijmetselarij, waar Breivik lid van zegde te zijn, bestaat er ook een tempeliersorde: de Orde van de Ridders van de Tempel van St Jan- maar die heeft alleen maar betekenis binnen gelederen van vrijmetselaars. Met vrijmetselaarsidealen als tolerantie en broederschap heeft Breivik’s boodschap weinig van doen. Voor het oprichten van een nieuwe tempeliersorde zal hij bovendien geen toestemming hebben gevraagd en gekregen, noch van de vrijmetselarij, noch van de pauselijke stoel. De stoel hief de Orde op in 1312. Zou het Vaticaan de club weer toelaten op verzoek van een stel extremisten? Anders Breivik maakte een driedubbele vergissing. Hij denkt een moderne Robin Hood te zijn. Maar stelen van de rijken ten behoeve van de armen is wat anders dan het vermoorden van de kinderen van de Noorse sociaal-democratie. Hij is ook geen Jacques de Molay. Deze vervloekte de paus en de koning omdat ze als symbool van kerk en staat de mensenrechten schonden. En dat onder de vlag van een Orde die de dialoog met de islam voorstond. Kun je je nog erger vergissen?

 

 

Leer te sterven

‘Sterven is niet iets afschuwwekkends dat je moet zien te ontlopen, dat je zo lang mogelijk moet zien uit te stellen, maar veeleer iets waar je dag in dag uit mee leeft. Daaruit ontstaat een zeldzaam gevoel van oneindigheid,’ schreef Krishnamurti in zijn laatste dagboek. En de schrijver Montaigne zei over het sterven. ‘Bezinning op de dood is bezinning op de vrijheid.Wie geleerd heeft te sterven heeft afgeleerd een slaaf te zijn.’

Sterven voor je sterft: het afrekenen met de angst voor dood voor de werkelijke dood ons komt halen. In tal van spirituele tradities wordt dit proces van het sterven voor je sterft, beschreven als de Kleine Dood, het versterven het ons ego. Afscheid nemen van de angst voor de dood helpt ons leren leven.

Ook volgens de Dalai Lama heeft de menselijke angst voor de dood te maken met de angst voor het leven: ‘We kunnen niet verwachten in vrede te sterven als on­ze levens gewelddadig zijn geweest, of als onze geest voornamelijk wordt beheerst door emoties als woede, ge­hechtheid, of angst. Als we goed willen sterven, moeten we dus leren goed te leven; als we hopen op een vredige dood, moeten we zorgen voor vrede in ons hart en in ons bestaan.’

 

Illusie
Publicist Marcel Messing heeft de verhouding dood-leven prachtig onder woorden gebracht. ‘Onthoud het goed: jij bezit niets. Niets is van jou. Jij bént het al. Wat zou je kunnen bezitten? Wat zou je vast kunnen houden in je handen? Zolang je nog maar iets meent te kunnen bezitten, binnen of buiten je, is er illusie. Liefde zal er niet zijn. Liefde is Leven. Liefde is Licht. Bezit is dood. Dood die voorbijgaat aan het Leven, aan het Licht, aan de Liefde, aan vervulling. Je bent dan een levende dode. Bezitten kun je niets en niemand. Recht heb je op niets of niemand. Geen mens is het bezit van een ander. Dat is geweld. De gedachte alleen al is geweld. Puur geweld. Als je iets van een ander verlangt, is er geen liefde.’

En hoe de dood ons kan leren leven vertelt het volgende verhaal van de Indische mysticus Sadhu Sundar Singh. Hij maakte eens een wandeling in de bergen, met zijn vriend John. De mannen werden overvallen door een sneeuwstorm. Ineens zagen ze verderop iemand vallen en naar beneden glijden. Beide mannen schrokken en overlegden wat ze konden doen. Sundar zei: ‘Wij moeten naar beneden om deze man te helpen’ waarop John antwoordde: ‘Niemand kan dat van ons verwachten. Het is veel te gevaarlijk.’ ‘Als we toch sterven’, zei Sundar ‘dan is het beter te sterven door iemand te helpen, dan alleen maar aan onszelf te denken.’

John, die niet van plan was om te helpen, liep door om te voorkomen dat hij koud werd. Sundar echter ging voorzichtig naar beneden en bracht de gevallen man op een beschutte plek. Door deze inspanning kreeg Sundar het warm en kon daardoor de andere man opwarmen. Hierdoor werden ze beide voor bevriezen behoed.
De volgende dag ging Sundar op zoek naar hulp. Op deze zoektocht vond hij zijn vriend John, levenloos in de sneeuw. Oververmoeid wilde hij waarschijnlijk even rusten, wat hem fataal werd. ‘Door deze gebeurtenis’, vertelde Sundar ‘… heb ik begrepen wat de woorden van de grote mystici betekenen om jezelf weg te geven en te leven uit liefde’.

Het verhaal van Sundar is een verhaal van de ommekeer ten leven. Ook Dorothee Sölle en Albert Schweitzer spreken erover: ‘Als gij moet kiezen tussen het leven en de dood, kies dan het leven.’ De ommekeer ten leven waar Dorothee Sölle over spreekt, laat zich niet zo gemakkelijk vertalen als je bedenkt dat leven en dood twee keerzijden zijn van dezelfde medaille. Toch is het leven sterker dan de dood. Het licht is sterker dan de duisternis. Dit is de centrale boodschap van vrijwel alle religies. Als we dit niet meer mogen geloven, moeten we haast wel in cynisme of in ontsnappingsgedrag ver­vallen. Dan leggen we ons er wel erg gemakkelijk bij neer dat leven en dood, zwart en wit, donker en licht, goed en kwaad, God en Sa­tan, vriend en vij­and, dag en nacht, arm en rijk bij elkaar horen en naast elkaar mogen blijven bestaan.

Zeg niet dat ik morgen zal vertrekken,
want vandaag zelfs kom ik voortdurend aan.

Kijk goed: ik arriveer elke seconde
als een knop aan een lentetak,
als een jong vogeltje met tere vleugels,
dat leert zingen in zijn nieuwe nest,
als een rups in het hart van een bloem,
als een juweel verborgen in een steen.

Ik blijf komen om te lachen en te huilen,
te vrezen en te hopen.
Het kloppen van mijn hart is de geboorte en de dood van al wat leeft.

Mijn vreugde is als de lente, zo warm
dat zij bloemen doet bloeien langs alle paden van het leven.
Mijn pijn is als een rivier van tranen, zo vol
dat zij vier oceanen vult.

Alsjeblieft, noem me bij mijn ware namen
zodat ik al mijn huilen en lachen tegelijk kan horen,
zodat ik kan zien dat mijn vreugde en pijn één zijn.

Alsjeblieft, noem me bij mijn ware namen,
zodat ik kan ontwaken
en de deur van mijn hart open kan blijven,
de deur van mededogen.

Prachtige woorden van de mysticus Thich Nhat Hanh. Spiritualiteit gaat over de oneindige meerwaarde van het leven boven de dood. De dood heeft vele gestalten: oorlog, eenzaamheid en gebrek aan communicatie. Spiritualiteit betekent voor mij dan ook een dam opwerpen tegen cynisme, nihilisme en een houding van laat-maar-waaien. We hoeven ons niet neer te leggen bij de ogenschijnlij­ke zinloosheid van alledag. Het heeft wel dege­lijk zin om je met vrede en gerech­tigheid bezig te houden. Mijn spiritualiteit acht het leven sterker dan de dood. Als de dood je in zijn greep heeft, word je het slacht­offer van onver­schilligheid of word je con­servatief. Dan wil je houden wat je hebt. Als de dood je in de greep heeft, wil je houden wat je hebt. Als je werke­lijk wilt gelven dat het licht sterker is dan de duis­ternis, dat de liefde sterker is dan de haat, heeft dat invloed op de maatschappelijke keuzes die je maakt.

Maar hoe doe je dat dan? Is het mogelijk een spirituele dam op te werpen tegen cynisme en nihilisme? Is het mogelijk het leven en sterven van een mens daadwerkelijk die zinvolle plek te geven zoals Elisabeth Kubler-Ross die bedoeld heeft. Een prachtig spiritueel antwoord geeft de eigentijdse mysticus Marcel Messing: ‘Sterf daarom aan alle beperking. Sterf aan alle tijd. Sterf aan alle ruimte. Sterf aan de illusie van je ik. Sterf aan de schepper van dit alles. De schepper van hemelen en hellen. Kom tot leven in het niet-leven.[…] Steeds is er verandering. Steeds is er wisseling. Energie stroomt, vloeit, valt uiteen, verbindt, klimt en daalt, wer­velt en verspreidt, verschijnt en verdwijnt.’

Maar als deze verhalen waar zijn en zo’n enorme diepe betekenis voor ons hebben moeten de dood dan wel helemaal willen missen? Eric van der Steen en Max Schuchart beschrijven in bovenstaand gedicht de diepste wens van de mens dat het met de dood niet afgelopen is. In onze droom is de dood gestorven en is de aarde zwanger van leven.

Ik droomde dat de Dood gestorven was
en de aarde zwanger ging van gistend leven,
ik zag de spinnen doelloos webben weven
en slangen geeuwend schuiven door het gras.
(en…) Sterf nimmer, Dood, wij kunnen u niet missen,
het zou geen leven zijn, als ‘t leven won,
want gij alleen geeft zin aan alle dingen.

Weet gij niet dat ge goden zijt?

Peter Solomon stond op en begon rond de tafel te ijsberen. ‘Zoals je weet, bestaat er een oude profetie dat de dag zal komen waarop het Verloren Woord zal worden herontdekt… de dag waarop het Verloren Woord aan de duisternis zal worden ontrukt… en waarop de mensheid opnieuw zal kunnen beschikken over de vergeten macht ervan.’

Aan de vooravond van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van The Lost Symbol[i] van Dan Brown werd er volop gespeculeerd in de media over dat symbool. Is dat verloren symbool misschien het achtpuntige kruis dat terug te vinden is in de sleutel van koning Salomo? Zal het de cirkel zijn waarvan het middelpunt nergens is? Of is het verloren symbool de sleutel van Koning Salomo zelf? Of gaat het om de Grote Galactische Conjunctie die zich in 2012 – aan het eind der tijden – zal voordoen? Niets is minder waar. De speculeerders komen allemaal bedrogen uit. Het verloren symbool zal niet meer en niet minder dat Ene blijken te zijn dat mens en wereld zin en betekenis geeft.

Het verhaal. Na aankomst in het Capitool krijgt Langdon een telefoontje. Peter Solomon, vooraanstaand lid van de vrijmetselarij, lid van de Schotse Ritus in de 33ste graad, is ontvoerd. Hij verkeert in levensgevaar. Solomons kidnapper wil dat Langdon de codes van het mysterieuze genootschap dat vrijmetselarij heet ontcijfert. De ontvoerder is ervan overtuigd dat – als hij Het gevonden heeft, hij een mysterieuze kracht zal krijgen die hem  de wereld aan zijn voeten zal doen liggen. Robert Langdon kan niet anders dan het spel meespelen. Hij krijgt hulp van Katherine, Solomons zus, een vooraanstaand wetenschapper die de kracht van het menselijk denken bestudeert.

Dan Brown heeft opnieuw een pageturner geschreven. Het beste boek in de serie waarin Robert Langdon de hoofdpersoon is. Langdon, docent Religieuze Symboliek aan de Harvard University in Cambridge, Massachusetts, wordt onder valse voorwendselen naar Washington gelokt: het epicentrum van de wereldmacht en de stad met de grootste verborgen geheimen uit de geschiedenis. In Washington is Het te vinden. En dat Het, daar draait het om.

Dan Brown is op dreef. Hij schetst de vrijmetselarij niet als een wereldswijde samenzwering van zielige oude mannetjes, maar als een spirituele brug tussen alle wereldgodsdiensten, als een methode die de scheidslijnen tussen de religies weet te overbruggen. Dan Brown heeft zijn werk gedaan, goed gedaan. Er schuilt er in Het verloren Symbool opnieuw een schat aan spirituele kennis. Maar de lezer hoeft zich in dit geval nauwelijks af te vragen of het feit of fictie is. Brown heeft zich enorm goed gedocumenteerd. Hij is goed op de hoogte van het meest recente bewustzijnsonderzoek zoals dat beschreven wordt door Lynne McTaggart.

En het lijkt wel of hij de discussies rondom Andries Knevel gevolgd heeft. U weet wel, Andries Knevel kwam dit jaar in het nieuws door te zeggen dat hij niet meer geloofde in de klassieke opvatting over de Schepper van hemel en aarde. Een klassieke opvatting die ervan uit gaat dat er neen Schepper was die de wereld een kleine vijfduizend jaar geleden in een week tijd geschapen heeft, waarbij hij op de laatste dag, de zondag rustte. Tegenover dit wereldbeeld staat het wereldbeeld van de vrijmetselaar die een Opperbouwmeester van het Heelal ten tonele voert die wereld en leven doet zien als een te voltooien bouwwerk.

Lukt het Robert Langdon en Katherine Solomon hen om de geheimen van Washington te ontraadselen? En kan die kennis het leven van Peter Solomon en het lot van de wereld redden? En om wat voor kennis gaat het eigenlijk. Laten we Robert Langdon maar eens even aan het woord laten in een rechtstreekse conversatie met Peter Solomon.
‘Peter’, zegt Robert Langdon, ‘de Bijbel en de Oude Mysteriën zijn in alle opzichten elkaars tegenovergestelde. De mysteriën gaan over de god ín ons… over de mens als god. De Bijbel daarentegen heeft het over de God die boven ons is gesteld… en over de mens als machteloze zondaar.’

En de conversatie tussen Langdon en Solomon gaat verder. ‘Precies!,’ antwoord Peter Solomon – overigens is Solomon de Engelse equivalent van Salomo, de oude Koning der Joden – ‘Je legt de vinger precies op de zere plek! Op het moment dat de mensheid zich van God afscheidde, ging de ware betekenis van het Woord verloren. De stemmen van de oude meesters zijn niet meer te horen, omdat ze verloren zijn gegaan in het chaotische misbaar van zelfverklaarde ingewijden die beweren dat alleen zij het Woord begrijpen… dat het Woord is geschreven in hun taal en in geen enkele andere.’

Treffender kan Solomon het niet zeggen. Het is niet de Bijbel die ons dat wereldbeeld aanreikt. Het zijn de zelfverklaarde ingewijden in kerk, religie en godsdienst die ons dat willen doen geloven.

‘Robert, jij en ik,’ zo gaat Solomon verder, ‘wij weten allebei dat de ouden vervuld zouden zijn van afschuw als ze konden zien hoe hun leringen zijn verdraaid… hoe hun godsdienst zich heeft gevestigd als een tolhuis voor de hemel… hoe strijders de oorlog tegemoet gaan in de overtuiging dat God aan hun kant staat. We zijn het Woord kwijtgeraakt, maar toch ligt de ware betekenis ervan nog altijd binnen ons bereik, pal voor onze neus. Want die is te vinden in alle teksten die de eeuwigheid hebben doorstaan – van de Bijbel tot de Bhagavad gita, de Koran, en noem ze allemaal maar op. Al deze teksten worden geëerd op het altaar van de vrijmetselarij, omdat vrijmetselaars begrijpen wat de wereld schijnt te zijn vergeten… namelijk dat elk van deze teksten op zijn eigen manier dezelfde boodschap fluistert.’ Peters keel werd dik van emotie. “Weet gij niet dat ge goden zijt?”’
En… ‘Langdon dacht aan een passage uit het werk van de filosoof Manly P. Hall die hem altijd was bijgebleven: “Als de oneindige niet had gewild dat de mens wijs was, zou hij hem niet het vermogen tot weten hebben geschonken”. Langdon keek weer omhoog naar De Apotheose van Washington – het symbolische opstijgen van de mens naar een goddelijke status. “De geschapene… die Schepper wordt. We zijn bouwers, dacht hij, We zijn scheppers”.

We zijn bouwers, we zijn scheppers. Klassieke elementen uit het wereldbeeld van de vrijmetselarij die in ‘Het Verloren Symbool’ centraal staat. Voor de vrijmetselaar is de wereld een bouwwerk dat nog voltooid moet worden. Ze staat daar niet alleen in. In de twintigste eeuw hebben veel theologen laten weten dat ze met het klassieke wereldbeeld niet meer uit de voeten konden. Voor theoloog Helmut Gollwitzer betekent schepping dat God de mens de gelegenheid geeft om mens te worden en de wereld om wereld te worden. Schepping als zodanig is belofte, een bevrijdende belofte van heelwording. Het scheppingsbericht is niet simpel een verhaaltje over de oorsprong van de wereld, maar een beloftevolle dimensie van toekomst voor een wereld die als geschapen werkelijkheid wel “goed” is, maar die geen “zin in zichzelf” heeft en bovendien niet “af” is: De schepping is niet klaar. De zingeving is dus ook nog niet klaar. Schepping is daarom ten diepste zingeving.

 

De Veda’s en de gnosis

Wat hebben de Vedische traditie uit India en de wereld van de Gnosis met elkaar gemeen? Dat antwoord is simpel. Onze goddelijke kern bevindt zich in alle schepselen, zowel in mens en dier als plant.

Het kunnen waarnemen van deze onderliggende eenheid is de essentie van spiritualiteit. In het westen gebruiken ze er het woord gnosis voor. In het oosten het woord Veda. Beide woorden verwijzen naar het Weten van die ene Waarachtigheid. ‘Er is één Waarheid die door de gehele creatie straalt. Rivieren en bergen, planten en dieren, de zon, de maan en de sterren, jij en ik – allemaal zijn we een uitdrukking van deze ene Waarheid’. Dit is een tekst van moeder Amma. ‘En hier speelt spiritualiteit, de ware religie een rol: namelijk om dit bewustzijn wakker te maken en ons te helpen kwaliteiten te ontwikkelen als liefde, mededogen, verdraagzaamheid, geduld en nederigheid. In die zin kan het ons helpen om een eind te maken aan het lijden in de wereld’.

Gnosis is de kennisse des herten, zoals ze dat in de Middeleeuwen zeiden. Gnosis en geloof (gnosis en fides) vormden in de begintijd van het christendom twee religieuze tegenpolen onder de volgelingen van Jezus. In de wereld van de Indiase filosofie wordt gesproken over de vedische traditie.

En dan heb je ook nog de oude gnostiek. Voor alle duidelijkheid: dat is een stroming binnen het oude christendom. Een daar begint de afstand tussen de gnostiek en gnosis. De god die Jezus “mijn Vader” noemde is een god van liefde en die kon – als we de aanhangers van de gnostiek moeten geloven – niet dezelfde zijn als de wraakzuchtige Heer van het Oude Testament. JHWH is volgens de vroeg-christelijke gnostiek – de Demiurg, de Heer van het kwaad. JHWH wordt in de teksten uit de gnostiek zelfs afgeschilderd als de oorzaak van de dwaling, als degene die de mens bewust in een staat van slavernij wil houden. Deze beweringen zijn voor moderne mensen die zich met gnosis willen bezig houden niet (meer) relevant.

Ik hou me dagelijks bezig met gnosis. Naar de gnostiek – ook die van de Katharen – kijk ik als interessant historisch verschijnsel. Maar het verdient geen aanbeveling om de gnostiek alles na te zeggen. Voor een helder inzicht in de gnostiek en de veda’s kun je goed terecht bij de Indiase traditie. Dus wees alert als het om het verschil tussen gnosis en gnostiek. We hebben allemaal gnosis. Ik ben geen aanhanger van de oude gnostiek.

Verdient het aanbeveling om je als moderne spirituele zoeker bezig te houden met gnosis en veda’s? Ja, volop. Vrijmetselaars en rozenkruisers zijn mensen die zich bezighouden met Gnosis. Ook waar het boel ‘A Course in Miracles’ over gaat zou je Gnosis of Veda kunnen noemen. De vrijmetselarij houdt zich volop bezig met de kennis van de gnosis en het bewaren van tal van gnostische inzichten uit de traditie. Nee, de vrijmetselarij heeft niets te maken met oude gnostieke opvattingen over de God van het Oude Testament als de Heer van het Kwaad. Veel opvattingen die mensen in de klassieke wereld hadden over schuld en boete delen we in deze tijd niet meer. Maar om het Oude Testament als de bron van het kwaad te zien berust op onjuiste aannames.

Er is een prachtige tekst uit de wereld van de Bhagavad Gita die perfect weergeeft wat moderne gnostiek is. Ik deel hem met u in de vertaling van Mansukh Patel: ‘Krishna lachte. ‘Daarom is het leven als mens zo kostbaar, Arjuna,’ zei Hij. ‘Uiterst kostbaar, omdat in de incarnatie van de individuele mens voldoende wakend bewustzijn aanwezig is… er is een grotere schoonheid… dan in de goddelijke bron zelf. Weet je, als er alleen goddelijkheid was, zou zij zich aan niets kunnen openbaren. Begrijp je dat? Haar schoonheid en volmaaktheid kunnen niet als zodanig worden waargenomen. Maar de individuele, tot bewustzijn gekomen ziel die naar God verlangt, heeft een onuitsprekelijke schoonheid in zich die zelfs Mij de adem beneemt.’ Hij zweeg, niet in staat om verder te spreken’.

Metafoor van een rabbi

Er was eens een rabbi die met vier van zijn leerlingen op weg was. Ze vroegen hem te spreken over de mysteries van de Schepping. De Rabbi stemde toe, maar vroeg ze om eerst binnen te gaan in een boomgaard waar ze voorbijkwamen, en een vrucht mee te brengen van de eerste boom die ze zagen.

Verlangend te horen wat de Rabbi te vertellen had, gingen de vier de tuin binnen en spoedden zich naar de eerste boom die ze, verlicht door de maan, in het oog kregen. Dichterbij gekomen zagen ze dat de boom vruchten droeg als juwelen, glinsterend in de nacht, en verlicht van binnen uit. De vier leerlingen waren verbijsterd bij de aanblik van zo’n boom en in verwarring of ze wel of niet zo’n bijzondere vrucht zouden plukken. Een van de vier keerde zich naar de anderen en waarschuwde: ‘waarschijnlijk is deze boom betoverd, en de vruchten dus ook. Als we er eentje plukken kan de betovering ons treffen. Zelfs aanraken kan al gevaarlijk zijn.’ De tweede leerling knikte bevestigend. ‘Ja, het is mogelijk dat we op de boom met de verboden vruchten zijn gestuit. Als we er een plukken laden we allicht grote zonden op ons.’

 

Maar de derde leerling bestreed die conclusie. ‘De Rabbi heeft ons gezegd een vrucht mee te brengen van de eerste boom die we zagen. Dit is die boom, en de vruchten zijn een zegen die niet mag worden veronachtzaamd.’ Er viel een stilte. Toen sprak de vierde leerling ‘Ik zelf geloof niet dat deze boom en die vruchten bestaan in deze wereld; daarom moeten we het zien als een illusie. Waarschijnlijk dromen we.’

Nu was er dus een groot dilemma gerezen, en ieder verdedigde z’n eigen stelling, en ieder stootte zijn kop tegen de muur van andermans argumenten. Tenslotte, zo gaat het verhaal verder, kwamen ze bij de Rabbi terug, met lege handen. Ze vonden hem wachtend buiten de tuin, z’n gezicht gelijnd door verdriet. Hoewel hij het antwoord al wist, vroeg hij: ‘En, heeft iemand van jullie een vrucht meegebracht van de Boom van het Leven?’

 

“De moderne mens heeft de reflectie in zich als een dodelijke ziekte,” zegt filosoof dr . Cornelis Verhoven, “die aan de dingen hun identiteit ontneemt. Er is een leegte, vraag. De reflectie over de dingen treedt in de plaats van de dingen. Niet alleen verandert god in de godsvoorstelling en de godsvoorstelling in het godsprobleem, maar hetzelfde gebeurt ook op andere terreinen. Ieder denken ontaardt in een denken over het denken, de wetenschap heeft zichzelf tot object, de literatuur gaat alleen over literatuur; de vereniging vergadert over de vereniging; de club clubt, de mens menst en het ding dingt. Wat vraagt, vraagt alleen naar de zin van zijn eigen bestaan.”

De vier leerlingen van de rabbi waren alleen maar bezig met hun eigen meningen, standpunten en gedachten. De rabbi had het goed door hoe onze menselijke geest in elkaar zit. ‘En, heeft iemand van jullie een vrucht meegebracht van de Boom van het Leven?’ En hebben jullie kennis gemaakt met het levende leven, dat de essentie is van alles. Zijn jullie wakker geweest toen je de boom des levens zag of waren jullie weer eens in slaap gevallen? Om te voorkomen dat zijn leerlingen in slaap vallen, zegt Jezus in de verhalen van Mattheus soms harde dingen. ‘Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Wie zijn leven probeert te behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden.’

 

Als vrede simpelweg betekent dat we vredig in slaap sukkelen omdat we ons niet bewust zijn van wat echt leven is, dan wordt die vrede een sleurhut voor ons sluimerende geweten. Als vrede betekent dat we niet meer wakker worden voor wat leven echt is, dan is vrede niet meer dan een slaapzak voor een spirituele zomer en winterslaap. Een leraar is niet om ons in een spirituele slaapzak te leggen of mee te nemen in een sleurhut naar de Bergen van Besluiteloosheid, waar we rustig kunnen slapen aan de Zee van Zinloosheid of in de Baai van Berusting.

 

Religiositeit

De verhalen van de Grote Traditie willen ons wakker maken. “Ik ben hier niet gekomen om jullie de vrede te schenken, maar het zwaard.” Ook de weg van leerling, gezel en meester is een weg van wakker worden. We krijgen het zwaard van bewustzijn aangereikt. Bewustzijn laat ons zien dat we kunnen kiezen tussen leven en dood, tussen dag en nacht, tussen licht en donker, tussen goed en kwaad. We leven in de wereld van de ongekende mogelijkheden. Dankzij wat men in de Indiase traditie ‘het zwaard van bewustzijn’ noemt die ons wakker maakt uit de ogenschijnlijke vrede van de zinloosheid. Wakker zijn, visionair leven is allereerst een eind maken aan de nacht van moedeloosheid. Echte religiositeit is in de ban raken van het wakker geworden leven.

Hele mooie poëtische uitleg van het ‘dharma’ uit de Indiase traditie. Je zou het ook voor het Bijbelse begrip ‘evangelie’ kunnen gebruiken. De weg van Bewustzijn, de goede boodschap, de dharma is datgene wat ieder wezen ondersteunt op zijn levensweg. Het is de ondersteuning die de leerling ondervindt als hij over de geblokte vloer in de richting van het licht geleid wordt. Niet alleen mij, niet alleen de mens, het ondersteunt mens, dier, plant, mineraal, maar ook de samenleving als geheel, het ondersteunt alles. Als Jezus zegt: ik ben de weg, de waarheid en het levens., dan zegt hij:

‘Ik ben de weg, die jou in alles ondersteunt
Ik ben de waarheid die jou in alles ondersteunt
Ik ben het licht, dat jou in alles ondersteunt
Ik ben het leven, dat jou in alles ondersteunt

Als we onze bestemming weten te volgen dan leidt dat tot de eenwording van onze ziel, de eenheid waaruit we voortkomen, die je in vrijwel alle religies tegenkomt. De weg waarlangs is het vinden van je eigen waarheid, je eigen weg, de eigen lijn die je in het leven te lopen hebt. De verhalen uit de Grote Tradities laten zien dat het mogelijk om je bestemming te vinden. Maar zijn die verhalend dan een soort spoorboekjes? Als je nou maar weet waar de treinen langs rijden en hoe ze vertrekken, dan kom je vanzelf wel op die bestemming aan?

Integendeel. Op de geblokte vloer krijg je daarbij een aantal handvatten om te kijken of je op de goede weg bezig bent, maar je hebt zelf een goed onderscheidingsvermogen te ontwikkelen. Daarvoor hebben we het zwaard van bewustzijn gekregen. Je moet helder en wakker zijn om de juiste keuzes in het leven te kunnen maken. De zin van het leven is het vinden van het fundament, de rots, het werkelijke steunpunt waar je leven op staat. Het gaat erom daar verbinding mee te maken en van daaruit te kunnen leven. Daar hoort een woord als authenticiteit bij. Als je verbonden bent met je werkelijke kern en je gaat daar vanuit leven, kun je je talenten beschikbaar stellen voor je omgeving, voor je relaties, voor planten en dieren voor de mensheid. En ben je thuisgekomen. In de middenkamer.

 

In den beginne was er stilte

De mystici beschrijven de stilte als de plek waar de ziel op adem kan komen, waar ze zichzelf terug kan vinden. De ziel heeft de herademing van de stilte nodig om het verleden door het heden heen te laten incarneren in dat wat toekomst genoemd wordt. Het net rustende verleden maakt plaats voor de nog niet geboren toekomst. Er is een prachtige tekst, een Iers gebed van en onbekende dichter dat al meer dan duizend jaar uit moet zijn. Ik vond deze tekst op tal van sites ware het niet dat een christelijke site de woorden “Jij bent” heeft vervangen door ”God is”. Weer een andere site gebruikt de tekst om de liefde tussen partners te beschrijven. Het is echter veel waarschijnlijker dat het hier om een beschrijving van de menselijke ziel gaat die in de stilte haar bestemming vindt.

Jij bent de Vrede van alle stille dingen
Jij bent de Plaats waar ik schuil voor onheil
Jij bent het Licht dat schijnt in het duister
Jij bent de eeuwige Vonk in mijn hart
Jij bent de Deur die wijd open staat
Jij bent de Gast die binnen wacht
Jij bent de Vreemdeling aan de deur
Jij bent het Roepen van de armen
Jij bent mijn Heer en met Jou kan geen kwaad mij bedreigen
Jij bent het Licht, de Waarheid, de Weg
Jij bent mijn Redder deze dag hier en nu.

In het boek “Mystiek en eros” schreven Anselm Grün en Gerhard Riedl een hoofdstuk over mystiek en transpersoonlijke psychologie. Ze ruimen een uitzonderlijke plek in voor de menselijke LichaamGeest (BodyMind). In hun visie is de ziel de ruimte waarin wij onszelf terug kunnen vinden in de stilte: “Wanneer wij van de gedachten van de transpersonele psycholo­gie weer terugkeren bij de uiteenzettingen van de mystici, dan zien we dat de weg van de mystiek de mens niet alleen naar God, maar ook naar de ware vrijheid toe wil leiden.” En dan volgen die mooie woorden over de stilte: “Wanneer jij in jezelf de ruimte van de stilte ontdekt, waar niemand toegang heeft behalve God, en wanneer jij in deze ruimte je vaderland vindt, dan voel jij je vrij van de macht van de mensen, van de macht van hun ver­wachtingen en eisen, en ook van de macht van je eigen superego, dat jou anders zo vaak veroordeelt en knecht, dat jou devalueert en deprecieert.”

Heiligdom
Mystiek wordt in tal van religieuze tradities gezien als een tempel van de geest, maar dan een tempel die niet ingezet mag worden om de aanwezigheid van het heilige in het lijfelijke te vieren. Grün en Riedl spreken in het boek een erotische taal, maar duiken steeds dieper in de verstilling van het zwijgen, van de stilte waarin de mens zijn eigenheid. Anselm Grün en Gerhard Riedl zien het lichaam als een heiligdom, maar dan als een plaats waar God wil wonen, waarin we ons als mensen geliefd mogen voelen, in alle opzichten. ‘In deze ruimte van het pure zwijgen kunnen je eigen en andermans gedachten niet doordringen, daar ervaar jij God als je ware Bevrijder. God creëert in jou een heiligdom, waar de wereld geen toegang heeft. En in dit heiligdom mag jij je thuis voelen, daar ben je geliefd. Het is een ruimte van warmte en tederheid, van lief­de en barmhartigheid. Vaak merken wij niets van dit innerlijke hei­ligdom, van deze plek van het pure zwijgen. Maar wanneer we de ervaringen van mystici geloven, kunnen wij biddend en mediterend steeds weer iets bespeuren van deze ruimte in ons. En misschien ervaren we ook een ogenblik lang dit pure zwijgen als een ruimte van God in ons. Het is het doel van de transpersonele psychologie om ons te leiden naar deze ruimte van de stilte. Het is het vermogen om helemaal in het nu te zijn, er niet meer over te reflecteren, maar er helemaal in op te gaan, puur bewustzijn te zijn.’

Vogels
Het is eigen aan de menselijke geest om niet in de wereld van de verstilling, de leegte en de stilte te blijven, maar onrustig op zoek te gaan naar de einden der aarde. De tekst die deze zoektocht verwoord is “In den beginne” van vrijmetselaar prof. dr. H.J. Mac Gillavry: “In den beginne, was er niets dat was en niets dat niet was. Een windvlaag bewoog de wateren en zweepte ze op tot golven: en er was leven, beweging, liefde en verdriet. Maar als de wind gaat liggen, plotseling gaat liggen, dan is er daar ineens een stilte over de wereld. En in die stilte rijzen vragen, vragen die als vreemde witte vogels opstijgen uit stilte, steeds dezelfde vragen: Wat brengt de menselijke geest ertoe zich op verre vlucht te begeven? Wat geeft het leven zijn begin en zendt het op zijn weg? Wat brengt ons ertoe deze woorden te spreken en deze vragen te stellen? Wat niet met ogen kan worden gezien maar wat het oog doet zien; wat niet kan worden gedacht, maar wat het denken mogelijk maakt, wat het gras doet ontspruiten en het groene kruid zaad gevend om te zaaien; wat de bronnen zendt naar de beken en al het water vloeit naar zee; wat de maan heeft gesteld voor de vaste tijden en de zon kent de tijd van zijn opkomst.”

Lotusbloem
In het prachtige boek van Mansukh Patel “Op weg met de Bhagavad Gita” staat een prachtige passage over de stilte. Krishna vraagt aan Arjuna om al zijn handelingen op te dragen aan de stilte in hem. Arjuna wilde iets zeggen, maar Krishna was hem voor. “Voordat jij Mij weer vragen gaat stellen, wil Ik je eerst wat nadere uitleg geven. Wat Ik je probeer te vertellen is dat de natuur door middel van iedere levensvorm voortdurend in beweging is. Denk eens aan een lotusbloem die opengaat als de zon opkomt en zich sluit als de zon ondergaat. Is het de zon die deze invloed heeft op de bloem?” Arjuna dacht even na voordat hij antwoord gaf. “Ja, ik denk van wel,” zei hij uiteindelijk. “Maar het is niet de zon, Arjuna.” Krishna’’s blik was levendig en doordringend. “Het is de kracht van de natuur die werkzaam is door middel van de zon. Dezelfde kracht die de zon geschapen heeft.” Hij strekte Zijn arm uit naar de zon om Zijn woorden kracht bij te zetten.

Resultaat
“De invloed die hij uitoefent op de aarde is niet zijn verdienste. Het is zijn dharma om te schijnen, niet om zich zorgen te maken of hij wel goed schijnt en ook niet of alles baat vindt bij zijn gouden stralen.” Krishna liet Zijn blik over de vlakte gaan, terwijl Hij sprak. “Het hele universum is doortrokken van handelen, zo vérstrekkend is de macht ervan. Iemand die wijs is verwacht geen resultaat, hoewel hij ingebed is in een leven van handelen; zijn enige drijfveer is immers om zijn plicht te vervullen ten bate van iedereen. De wijze mens handelt wel, maar hij draagt zijn handelen voortdurend op aan de plaats van stilte in hem. Als hij handelt zonder gehechtheid aan het resultaat, uitgaande van deze innerlijke stilte, is hij volledig vrij in zijn handelen. Tevreden met wat het leven hem geeft, wordt hij niet geraakt door vreugde of verdriet, succes of mislukking. Hij is in alles vrij. Hij is als iemand die zichzelf in het water weerspiegeld ziet, maar weet dat hij niet het spiegelbeeld is; of als iemand die in een boot de rivier afvaart en de bomen op de oever aan zich voorbij ziet snellen, maar zich realiseert dat zij stilstaan.”

 

De gave om te leren

Er was eens een man die stenen hakte uit een rots. Hij vond zijn werk veel te zwaar en droomde dat hij rijk was, en plotseling was hij rijk. Op een dag stond hij langs de weg toen er een koning voorbij kwam in een prachtige koets. Was ik maar koning dacht hij ontevreden, dat zou nog mooier zijn, en plotseling was hij koning.

Met veel ruiters en paarden reed hij in een gouden koets door zijn rijk. Hij keek naar de zon en ontevreden als hij was dacht hij: was ik maar de zon. En zie onmiddellijk was hij de zon. Totdat er een wolk kwam die zijn stralen tegenhield. Ik wou dat ik zo machtig was als die wolk, dacht hij ontevreden. En zo werd hij een wolk en kon hij de stralen van de zon tegenhouden.

De wolk viel in grote druppels naar de aarde en het water stroomde woest over het land, alleen een rots bleek machtiger dan het water. Toen werd hij kwaad omdat de rots nog sterker was en wilde hij liever een rots zijn, en ook dit gebeurde. Toen kwam er een man met een scherpe beitel en grote hamer en hakte in de rots om er stenen van te maken. Toen dacht de rots, was ik maar weer die steenhouwer. Het gebeurde en vanaf dat moment deed de man elke dag zijn zware werk en was tevreden.

Lieve mensen, dit verhaal wordt heel vaak een beetje moralistisch uitgelegd. Zo van: doe maar niet al te duur, steek je kop maar niet boven het maaiveld uit, doe maar gewoon, dan doe je gek niet, denk maar niet dat je wat voorstelt, wees nou maar tevreden met wie je bent en wat je hebt. Ja, das lekker makkelijk. Das een zo makkelijke uitleg dat het bijna niet waar kan zijn. En dat is het dan naar mijn mening ook niet. Het gaat er niet om dat je altijd maar tevreden moet zijn met je werk, je baan, je inkomen of zelfs die partner. Streef onbekommerd naar het ideale. En als je je weg in het leven niet weet te vinden in de baan die je hebt, is er niks mis mee om een andere baan te gaan zoeken. Als het huis waarin je woont het niet is voor jou, dan is er niets mis mee om naar een ander huis te verlangen. Sterker nog: ik ben er van overtuigd dat elke oprechte zoektocht in het leven begint met die woorden: is dit het nou? Moet ik het hier me doen? Is dit de zin van de dingen. Of zoals de beroemde popband Doe Maar ooit zong: “Is dit alles?

Ik geloof dat dit soort verhalen niet moralistisch uitgelegd moeten worden. Ik geloof dat het veel meer de bedoeling is, zoals in dat prachtige verhaal van Caitlin Matthews dat wij er achter moeten zien te komen wat onze speciale gave is. In het verre Oosten in India hebben ze een prachtig woord voor het ontdekken van die speciale gave. Daar heet die speciale gave en het ontdekken daarvan yoog of yoga. Yoga is – in tegenstelling tot wat mensen vaak denken – niet dat je alleen maar op een meditatiekussentje gaat zitten, of oosters gaat gymnastieken, dat mag wel. Laten we daar geen misverstand over laten bestaan. Ik wou dat de hele wereld aan yoga zou gaan doen, dan zou de wereld er veel vredevoller uitzien. Maar yoga in zijn oorspronkelijke betekenis heeft het over het ontdekken van je speciale gave. In de zin van het ontdekken wat je hier aan het doen bent en hoe je dat dan vervolgens ook moet doen .

Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht. (Mattheüs 11:28-30). Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen. (Galaten 5:1). En dan ook nog eens een prachtige tekst in Handelingen: “Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen [uit de niet-Joden] een juk te leggen dat noch onze voorouders noch wijzelf konden dragen? (Handelingen 15:10)

Mijn juk is zacht en mijn last is licht. Een heel mooie poëtische uitleg van het woord Evangelie. Het Evangelie, het juk van Jezus, de goede boodschap, is datgene wat ieder wezen ondersteunt. Niet alleen mij, niet alleen de mens, het ondersteunt mens, dier, plant, mineraal, maar ook de samenleving als geheel het ondersteunt alles. Als Jezus zegt: ik ben de weg, de waarheid en het leven, zegt hij iets heel spiritueels…

Ik ben de weg, die jou in alles ondersteunt
Ik ben de waarheid die jou in alles ondersteunt
Ik ben het leven, dat jou in alles ondersteunt
Ik ben het licht, dat jou in alles ondersteunt.

Een bakker kreeg boter van een boer. In ruil daarvoor kreeg de boer brood van de bakker. Na een tijdje viel het de bakker op dat de stukken boter van de boer steeds lichter werden. De boter zou steeds drie pond moeten wegen, maar het leek iedere keer minder te zijn. De bakker woog de boter op zijn weegschaal. De bakker klaagde zijn boterleverancier aan bij de rechter. Hoe zit dat? Vroeg de rechter. Uw gewichten kloppen niet. Dat klopt zei de boer. Ik gebruik ook geen gewichten. Ik krijg mijn brood van de bakker en hij krijgt boter van mij. Een brood weegt drie pond dus leg mijn boter links op de weegschaal en een brood rechts en zo weeg ik dat af.”

Yoga is een eeuwenoude traditie uit India. Het woord yoga is afgeleid van het Sanskriet woord ‘yuj’, dat ‘verenigen’, ‘verbinden’ betekent en verband heeft met het woord juk. Een juk verbindt twee delen tot één. Je zou kunnen zeggen in het verhaal van de boer en de bakker dat het de essentie van het juk is om het vertrouwen van die twee in balans te brengen. En yoga kan – met de neadruk op het woordje kan ook gaan de verhouding tussen lichaam en geest. Yoga werkt zowel door in het lichaam als de geest en laat je ervaren dat die twee één zijn en dat er geen afscheiding is. Yoga gaat om één worden, één zijn.

Het woord yoga dat juk betekent, refereert aan het evenwicht tussen de last die aan beide uiteinden wordt gedragen. Yoga is evenwichtigheid van geest, gelijkmoedigheid. Wanneer je mentaal in evenwicht kunt blijven, in goede en in slechte tijden, wanneer je vriendelijk kunt zijn tegen mensen die jou aardig vinden én tegen hen die jou niet aardig vinden, heb je de bewustzijnstoestand bereikt die yoga beoogt: je bent vrij”. Yoga is een filosofie, leefwijze en oefen-methode die gaat over het verbinden en in evenwicht brengen van alle lagen van ons bestaan die tegengesteld lijken (geest en lichaam, binnen en buiten, spanning en ontspanning, enz), om uiteindelijk te komen tot een natuurlijke staat van zijn, waarin het leven in zijn heelheid kan worden ervaren.

Yoga is de het toelaten van alle consequenties die zich voor doen in je leven als je helemaal jezelf bent. In yoga leer je om de juiste handeling te verrichten, maar je niet te hechten aan het resultaat van je handelingen. De hel heeft drie poorten: doe van woede, die van wellustigheid en die van graaien. Waarmee zal ik de mensen van deze generatie vergelijken? Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: “Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet rouwen.”

Het woord juk wordt vaak gebruikt om de last van een overheerser aan te duiden. Bijvoorbeeld: “het juk van de Duitse bezetter” of “het juk van de slavernij”. Zo hebben we ook de neiging om de woorden, de opdracht van de Eeuwige om te zijn op te vatten als een moeilijk juk, als een te dragen last. Jezus kent deze betekenissen en zet er en andere tegenover; het juk van het evangelie. Dat wart ons in alles steunt en ondersteunt. Daarom zegt hij in de tekst van Mattheus: “Mijn juk is zacht en mijn last is licht.”

Waarmee zal ik de mensen van deze generatie vergelijken? Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: “Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet rouwen.” Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de messias hoorde, stuurde hij enkele van zijn leerlingen naar hem toe met de vraag: ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ Jezus antwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.’

Hoe zei Caithin Matthews dat ook al weer: De Man en de Vrouw dankten God. Zij begroetten elke steen, plant, boom en dier. Zij leerden waartoe elk levend wezen in staat is. De Vrouw zei toen: “Iedereen in deze tuin heeft zijn eigen speciale gave. De eekhoorn kan springen, de slang kruipen en de vogels kunnen vliegen. Wat is onze speciale gave?” Op de Weg van Thuiskomst, Als je zorgt voor de Aarde, Als je zwakkeren beschermt, als je spreekt voor hen die geen stem hebben, als je plezier en respect hebt voor mijn schepping, …dan ben je het meest zoals ik. Je gave om te leren en te zorgen zal van je afstralen waar je ook gaat. Je zal nooit meer ergens van gescheiden zijn.

De wereld nóg mooier maken

“Maar ik wil helemaal niet terug naar de aarde” stribbelde de Kleine ziel tegen. U weet wel: voordat de geboren mogen worden hebben kleine zielen nog wel eens even een gesprek met een van de wijze mensen die aan de andere kant verblijven. De wijzen hebben de raak om kleine zielen om te weg te helpen. Ze weten namelijk dat kleine zielen nog wel eens moeite hebben om de sprong te wagen. Veel van die klein zielen zijn namelijk al eens eerder op aarde geweest. En ze wetend dan ook als geen andere hoe koud het op de aarde kan zijn als mensen vergeten om het licht van de liefde aan te steken. En wat denj je. Raar he, hebben ze het soms zo houd daar beneden en dan vergeten die mensen nog om het licht van de liefde aan te steken. En dat terwijl ze het zo warm hadden kunnen hebben.

Maar de oude wijze vrouw glimlachte. Ja, veel van die wijze mensen aan de andere kant zijn vrouwen. Ze zijn vrouw en ze weten hoe veel moeite het soms kost om geboren te worden. Ze weten dat kleine zielen soms door een angstig en donker geboortekanaal hen moeten om het lcht op aarde te kunnen zien. En deze wijze vrouwen snappen dan ook wel dat de kleine zielen moeite hebben om het veilig nest aan de andere kant achter zich te laten en de sprong in het duister weer te wagen.

“Toch zul je moeten” sprak ze mild tegen de Kleine Ziel. “Je wilt toch verder groeien? Nu, dat kan alleen als je eerst deze fase afrondt. En je weet dat je deze fase alleen maar af kunt ronden als je terug gaat naar de aarde. “Maar het is hier zo mooi” verzuchtte de ziel. “Zo mooi…” En op de aarde zijn de mensen soms zo onwetend. En ze doen soms zulke rare dingen. En ze weten niet eens dat ze het licht van liefde aan kunnen steken als ze het koud hebben. En met een zachte dwang begeleidde de wijze vrouw de kleine ziel naar de poort. Want het was de bedoeling dat de kleine ziel nog eens geboren zou worden. Misschien zelfs wel om de mensen op aarde te leren dat ze het licht van warmte en liefde aan kunnen steken als ze het koud hebben. “Ga nu maar” zei de wijze vrouw tegen kleine ziel. “En succes hè.” Weifelend bleef de ziel op de drempel staan. Nog een keer keek ze om. Toen zuchtte ze diep, sloot haar ogen en sprong…

Weet u. Herman Finkers heeft het in zijn oudejaarsconference gehad over wonderen. Wat si een wonder: het is een wonder dat mensen kunnen genezen als ze ziek zijn. Het is een wonder dat kleine zielen een andere kleine ziel kunnen vinden om van te houden. Het is een wonder als die andere Kleine Ziel van het zelfde geslacht is. Ja dat is ook een wonder, zegt Herman Finkers. Ik ben dat van ganser harte met hem eens. Ik vind het altijd weer een wonder als een kleine ziel een tweelingziel tegen komt om van te houden. Het is al een wonder als een meisjesziel een jongetje vind. Maar is het nog wonderlijker als ook twee jongetjes of meisjes van elkaar kunnen houden. Wat een wonderen allemaal. En dat allemaal omdat de Eeuwige ons wil leren om het licht aan te steken als we het koud hebben.

Wonderen, ze bestaan nog. Na de oudejaarsconference van Herman Finkers weet ik het zeker. En ik heb eens even opgezocht wat wonderen eigenlijk zijn. En toen kwam ik een tekst tegen van een hele grote wijze ziel, ze heeft Hanna Ahrend, ze heeft boeken geschreven over de verwerking van de Tweede Wereld oorlog. Hanna Ahrend is een filosofe. Moet je eens horen wat ze zegt over wonderen. ‘Het Wonder bestaat daarin, dat er überhaupt mensen geboren worden. En met hen een nieuw begin… Dat men in de wereld vertrouwen mag hebben en dat men voor de wereld mag hopen, is nergens puntiger en mooier uitgedrukt dan in de woorden van de “blijde boodschap” met kerstmis: “Een kind is ons geboren”.

Liefde bevestigt je in je bestaan en maakt je in zekere zin ook onaantastbaar. Dat is geen slimheid, dat is wijsheid. Het was de wijsheid van de Eeuwige om de mensheid het allergrootste geschenk te geven. Het is de wijsheid van de Eeuwige om mensen elkaar weer cadeau te geven om te troosten, om elkaar te bemoedigen. Wat mogen we toch blij zijn dat er aan de andere kant altijd weer wijze mensen klaar staan om de kleine zielen te begeleiden om op reis naar de aarde.

Dat klinkt allemaal wel mooi. Maar er zit ook een andere kant aan het verhaal. Want er zijn ook een heleboel mensen die geen idee hebben wat we hier aan het doen zijn. Waarom we hier op aarde zijn. Ik had onlangs een gesprek met iemand die zijn dat hij me niet vertrouwde omdat ik zo’n religieus was. En het was allemaal de schuld van de religies dat er zoveel ellende op wereld was. En nou snap ik dat wel. Want de religies hebben nog al wat doden op hun geweten. Maar ik ben toch wel blij dat er van de wijze mannen en vrouwen zijn die ons elke keer weer naar de aarde sturen om onze wijze lessen te leren. Ik ben ontzettend blij met Mahatma Gandhi, Nelson Mandela, Desmond Tutu, Moeder Theresa en vele vele anderen die ons toch elke keer weer helpen om door het geboortekanaal van onwijsheid heen te kruipen en ons te leren waarom we hier zijn.

Denken als een kip zonder kop
O wat knapt een mens daarvan op.
Als er geen religie was, dan was er minder leed
Zonder al die kerken was de wereld niet zo wreed.
Geloof is een psychose en een godsbesef naïef
Bewezen psychiatrisch en waanzinnig primitief.

Augustinus, Gerard Reve, Desmond Tutu, ga maar door
Onvolwassen zieke geesten, net als Gandhi, Thomas More.
Zo te redeneren, ach dat kan zo heerlijk zijn
Met het flinterdunne denkwerk van een middelmatig brein
Zwetsen als een kip zonder kop;
O wat knapt een mens daarvan op.”

Ubi caritas et amor, Deus ibi est. Waar liefdadigheid is en liefde, daar is God. De wereld is mooier te maken dan dat ze is. “Hebt elkander lief, gelijk Ivo Niehe zichzelf.” Grapte Herman Finkers. Hebt elkander lief. Want God woont in de liefde. Ubi caritas et amor, Deus ibi est.  Waar liefdadigheid is en liefde, daar is God. De wereld is mooier te maken dan dat ze is.

Als je de opdracht hebt gekregen van de wijze vrouw aan de andere kant om naar de aarde te gaan, wordt van je gevraagd om met open ogen, een open hart en met op handen met je medemens om te gaan. Wrijf het stof van onwetendheid uit je ogen, en besteed aandacht aan de boodschappen ontvangt uit de wereld van de Profeten, de Zieners de Wijzen. Maak de spring in het duister, daal af naar de aarde. Weet je, onze wereld is zwanger van mogelijkheden. Alle tijd is nu.
Je bent een medeschepper van een nieuwe mooie, rechtvaardige wereld. Wrijf het stof uit je ogen. Onbeperkte visie stelt je in staat om door de sluier van onwetendheid te breken en tot
een innerlijk weten te komen.
 Dat is de belofte die je mee krijgt als je als Kleine Ziel naar de aarde te terug gaat.

Het goddelijke moest gestalte krijgen in de liefde van de mens voor zijn medemens. De Levende, de Eeuwige werd wakker in de liefde van een mensenkind voor de medemens. De humaniteit, de menselijkheid werd geboren als het allerhoogste principe van Liefde dat de wereld zin en betekenis geeft. Liefde is de zin van de schepping. Liefde is geen gevoel, Liefde is de waarheid waaruit wij geboren worden.

 

 

Tijd versus tijd: écht wachten

Een rabbi was van oordeel dat het menselijk lijden onduldbaar werd. Hij steeg naar de hemel en klopte aan de deur van de Messias. ‘Waarom talmt u zo lang?’ vroeg hij hem. ‘Weet u niet dat de mensen u verwachten?’ ‘Mij verwachten ze niet,’ antwoordde de Messias. ‘Ze verwachten gezondheid, rijkdom, of rust en kennis. En ook vrede thuis, geluk. Nee, mij verwachten ze niet.’[i]

Toen, zegt men, verloor de rabbi zijn geduld en roep uit: ‘Genoeg! Als u maar één gezicht kunt opzetten, laat het dan onbegrijpelijk blijven! Als u de mensen niet kunt helpen, alle mensen, bij het oplossen van hun problemen, al hun problemen en zelfs de meest onbeduidende, blijf dan waar u bent, hoe u bent. Als u nog niet bevroedt dat u het brood bent voor degene die honger heeft, een stem voor de grijsaard zonder stamhouder, de slaap voor degene die beducht is voor de nacht, als u dat alles nog niet hebt begrepen, als u nog niet hebt ingezien dat elk wachten een wachten op u is, dan spreekt u de waarheid: u bent het niet die de mensen verwachten.’ De rabbi daalde weer af naar de aarde, verzamelde zijn leerlingen en verbood hun te wanhopen: ‘Eerst nu begint het werkelijke wachten.’

Verleden, heden en toekomst zijn wonderlijke fenomenen. Strikt genomen zijn het heel neutrale termen die alleen maar iets vertellen over wat geweest is, wat nog is en wat nog moet komen. Maar het is niet voor niets dat er enorme stapels boeken verschijnen over de kracht van het Hier en Nu, omdat we aan het fenomeen tijd kennelijk magische krachten, in de zin van magische betekenissen en magische energieën toeschrijven. Een van de zinnetjes waar ik de afgelopen jaren het meest van geleerd heb is een citaat dat afkomstig is van Captain Jack Sparrow uit de ‘Pirates of the Carribean’. Ik hoor de stem van Johnny Depp die in de rol van Jack Sparrow is gekropen een inzicht van de filosoof Baruch Spinoza parafraseren: “The problem is not the problem, the problem is how you deal with the problem, do you understand?”

Zo is het ook met de begrippen tijd en ruimte. Alleen al door deze begrippen natuurkundige verschijnselen te noemen – men heeft in de gevestigde wetenschap er een handje van om alles te labelen, wat anders zijn de fenomenen kennelijk niet meetbaar – doet men tekort aan de niet-geconditioneerdheid van de werkelijkheid achter de verschijnselen. “Als je teveel katten houdt,” schrijft Avatar Adi Da Samraj in het boek ‘The Dawn Horse Testament’[ii], dan zul je nooit een vrije vogel zien vliegen. Als je teveel honden houdt, zul je nooit een vrije vogel horen zingen.” Adi Da, zoals hij in het dagelijkse spraakgebruik werd genoemd, beschrijft in dit boek de ‘Undonditional Reality’. De werkelijkheid is volgens Adi Da ‘Unconditional’, omdat ze onafhankelijk is van alle menselijke interpretaties en conditioneringen.

Zoals de werkelijkheid zelf existeert los van menselijke interpretaties en conditioneringen, geldt dat evenzeer voor tijd en ruimte die deel uitmaken van die werkelijkheid. Als we het over de vele honderden interpretaties van tijd en ruimte willen hebben, dan hebben we het dus alleen maar over de manieren waarop wij mensen ze beleven, want over de wijze waarop tijd en ruimte zich voltrekken is wetenschappelijk gezien nog maar heel weinig bekend. En dat heeft alles te maken met de beperkingen van de menselijke geest. De werkelijkheid is non-duaal, de menselijke Mind moet het hebben van tegenstellingen. Ook dat wat we bewustzijn noemen is non-duaal, maar de menselijke geest kan niet zonder de dualiteit.

In het perspectief van de beperkte mogelijkheden van de menselijke mind moet ook het volgende citaat van Ravi Ravindra worden begrepen. “Tijd,” zo schrijft Ravi Ravindra[iii], “is het gemeenste wapen waarover Mara (de dodelijke Verleider) beschikt in zijn strijd iedereen te doen ontwaken uit de hypnotische slaap die wij allemaal leven, met onze begeerten en angsten: de macht van tijd en de beto­verende fantasieën die ons wegvoeren uit de realiteit van het eeuwige nu.” In dit citaat komt Tijd er niet zo goed af. Sterker nog: tijd heeft in dit perspectief zelfs demonische trekjes. Dat heeft alles te maken met onze tijdsbeleving: als we weggevoerd worden uit de realiteit van het Eeuwige Nu komen we terecht in de wereld van het Grote Tekort, die ons de wereld om ons heen vanuit schaarste-perspectief doet zien. Er is een Duits spreekwoord dat zegt: ‘Gluck ist das was ich nicht habe’. Met een variant daarop zou je kunnen zeggen: “Tijd is datgene wat ik niet heb’.

Maar we kunnen de tijd ook op een heel positieve manier beleven en waarderen. Ik vond een prachtige tekst van Jeroen Witkam over tijdsbeleving Over inzet, sabbat en meditatie in het Jaargetijdenboek[iv] : “De zevende dag heeft een heel bijzondere relatie met de zes andere dagen, genomen als één geheel. Terwijl de zes dagen bepaald worden door actief bezig zijn, heeft de zevende dag een kwaliteit van rust waardoor de activiteit van de voorafgaande dagen op een hoger plan wordt gebracht. In de rust voltrekt zich iets van een bestemming. We komen op een ander belevingsniveau. In de meditatie is dat heel precies aan te geven. Men spreekt dan van verzonkenheid of – in de zentraditie – van zanmai. (…) Al mediterend komt men terecht op een ander ‘niveau’ waar een andere tijdsbeleving plaatsvindt. De rust die we vinden op dit andere niveau, in deze innerlijke diepte, draagt een kracht in zich die de voltooiing is van onze eigen actieve inzet. Deze voltooiing betekent een hoger (of dieper) niveau van activiteit. Het ophouden met werken en met denken opent ons voor deze hogere (of diepere) werkelijkheid. Pas op dat niveau bereiken we het besef van volkomenheid, van bestemming. Niet alleen voor de mens zelf, maar voor heel de schepping.”

“Het hier en nu is net als vrijheid,” zo schrijft Halbesma in zijn boek, “in de kern net zo direct en levend als de bloedstroom in onze aderen. Vat hebben op het hier en nu is als een bloedprop in de aderen. Het ene veroorzaakt een hartstilstand of beroerte, het andere veroorzaakt een vertekend beeld van de werkelijkheid. Het hier en nu is niet iets om invloed op te hebben. Deze levende werkelijkheid ademt van zichzelf, en een vrij mens ademt letterlijk en figuurlijk mee. Dat men over het hier en nu niet-weet is een waarheid die staat als een huis. Voor een vrij mens is het leven oningevuld. Hij leeft een blanco leven. Dat kan ook niet anders als ideeën en wensen het veld hebben geruimd. Deze mens kan onmogelijk wantrouwend tegenover het leven staan. Het verlangen om iets van het leven gedaan te krijgen, is er niet meer.”

 

Elke religie begint met mystiek

“Er was eens een rustig dal, waar een boer een akker met tarwe had. Het leven zou goed zijn geweest, als er niet zes kraaien in een boom vlakbij woonden. Toen de tarwe bijna rijp was, streken de kraaien op de akker neer. De boer probeerde de kraaien weg te jagen. In wanhoop maakte hij een vogelverschrikker. De kraaien schrokken toen ze hem zagen staan. Ze overlegden wat ze zouden doen. ‘We moeten die man bang maken, dan gaat hij wel weg,’ zeiden ze. Ze besloten ze een geweldige vlieger te maken. Ze verzamelden boomschors en droog blad en maakten een gevaarlijke roofvogel,” zo gaat een prachtig verhaal van kinderboekenschrijver Leo Lionni. “De volgende morgen vlogen ze met de vlieger boven de akker. De vogelverschrikker bleef rustig staan, maar de boer was zich doodgeschrokken. Hij was zo bang, dat hij zijn hut niet uit durfde. Vanuit zijn nest in een oude boomstronk had een uil het hele gedoe aangekeken. Hij schudde zijn kop. ‘Ik weet niet wie er dommer is: de boer of die kraaien, dacht hij.”

“Toen hij merkte dat de tarwe slap ging hangen omdat het niet werd verzorgd, besloot hij met de boer te gaan praten. ‘Waarom sluiten jullie geen vrede, jij en de kraaien?’ vroeg hij. Daar is het nu te laat voor,’ zei de boer boos. ‘Het is nooit te laat om te praten,’ antwoordde de uil.”

Lionni verhaalt vervolgens hoe de uil naar de kraaien ging. ‘Wat moeten we nu doen,’ riepen de kraaien wanhopig uit, toen ze hoorden dat de graanoogst gevaar liep. ‘Ga naar de boer en praat het uit,’ zei de uil. ‘Woorden doen wonderen.’ De kraaien en de boer spraken af dat ze bij het nest van de uil bij elkaar zouden komen. Terwijl de uil toekeek, praatten ze en praatten ze. Eerst boos, daarna wat rustiger en tenslotte als vrienden. ‘Ik moet zeggen dat ik jullie vrolijk geschetter heb gemist,’ zei de boer. En wij hebben je tarwe gemist!’, riepen de kraaien. ‘We moeten de uil bedanken,’ zei de boer. ‘Maar waar is hij?’ Zijn nest was verlaten. Ze gingen op de akker kijken. Daar stond de vogelverschrikker, maar er was iets veranderd. De lelijke grijns was nu een vrolijke glimlach. De uil zat op de arm van de reus. ‘Wat is er gebeurd?’ vroegen ze. ‘Een wonder,’ zei hij.”

De zes kraaien van kinderboekenschrijver Leo Lionni. Wat zou er gebeuren als de boer en de kraaien niet zouden gaan praten, als ze in hun eigen hokje zouden blijven zitten. De zes kraaien en de boer staan samen model voor de zeven grote wereldgodsdiensten. De boer belichaamt ons eigen beperkte perspectief. Het leven zou goed zijn, vanuit het perspectief van deze goedbedoelende landbouwer, als er maar geen zes kraaien geweest zouden zijn die ook een graantje mee zouden willen pikken van de akker der wijsheid. In zijn wanhoop maakt hij een vogelverschrikker. De benen worden gemaakt van tradities en wijsheden uit voorgaande eeuwen. Voor de armen gebruikt hij de dogma’s en leerstellingen van hoe het ooit was, voor de romp had hij nog genoeg boeken in voorraad, voor het velletje erom heen gebruikte hij de oude zakken waarin nog nooit nieuwe wijn had gezeten en voor het hoofd van de vogelverschrikker hoefde gebruikte hij een zestal spiegels. Wie er ook in keek zou zich rot schrikken. De uil in dit soort verhalen staat altijd model voor vader en/ of moeder wijsheid. Zou het niet eens verstandiger zijn als de boer en de kraaien eens met elkaar zouden gaan praten? En ze praatten en ze praatten en een wonder geschiede. Verdraagzaamheid en samenwerking leiden tot vrede. Cooperation and tolerance means peace, zegt Adi Da Samraj

De verhoudingen tussen de grote religies en levensbeschouwingen zijn in de geschiedenis op zijn zachtst gezegd heel erg problematisch geweest. Kennelijk is het eigen aan godsdienst en religie om in hun speurtocht naar waarheid paal en perk te stellen. Niet alleen maar paal en aan de eigen waarheidsvinding, maar vooral ook aan die van de ander. Religie en godsdienst kunnen ons niet alleen helpen om zicht te krijgen op ons eigen, hoogst individuele zielenleven. De waarden die ons aangereikt worden door de verschillende godsdiensten zouden ons kunnen helpen een zielenrichting te vinden voor een samenleving, een volk, een groep, de kerk, de loge om te komen tot harmonie, vrede en samenwerking. Cooperation and tolerance means peace Want samenwerking en tolerantie leiden samen tot vrede.

Gelukkig verdwijnen de grenzen tussen de geloofssystemen steeds meer in de mystieke beleving. ‘De namen zijn verschillend – God, Allah, Jezus, Boeddha – , maar de termen waarin de weg beschreven wordt en de obstakels op die weg zijn frappant gelijkluidend.’ De mystiek dan ook de oerbeweging van de religie. Mystiek begint met ervaring, elke religie begint met mystiek. ‘Mensen gaan ontdekken dat er een kracht is die groter is dan je zelf bent. De boeddhist noemt het anders dan de christen en de jood, maar de kern is hetzelfde. Het gaat om de oermomenten van het geloof. Wat Jezus in de woestijn meemaakte was een mystieke ervaring.’

We gaan religieus gezien andere tijden tegemoet. De tijd dat religies het zich kunnen permitteren om tegenover elkaar te blijven staan is voorbij. Men zal moeten samenwerken. Cooperation and tloerance means peace. En men zal zich gaan herbronnen op die ene gemeenschappelijke oerbron. En de tijd dat mystiek en religie er niet mochten zijn lijkt voorbij. Ik citeer de voormalige hoogleraar Kerkgeschiedenis uit Kampen, wijlen dr. Auke Jelsma. ‘Religies mogen er weer zijn. Ze kunnen de samenleving zelfs van dienst zijn, tenminste als ze naar behoren functioneren en dus geen rassenhaat of volkerenmoord sanctioneren of onverdraagzaamheid bevorderen. Helaas blijken zij ook daarvoor maar al te vaak bruikbaar gemaakt te kunnen worden. Ook is er nog steeds reden de institutionele vormgeving in de religies kritisch te bezien, omdat zij tot dwangmatig handelen leiden kan. Misschien zou nu juist de mystiek, vanwege haar persoonlijke karakter en haar openheid voor ervaringen, zelfs wel een bijdrage kunnen leveren aan de humanisering van de religie. Reden dus om er aandacht aan te schenken’.

De boeddhistische monnik Sogyal Rinpoche maakt het belang duidelijk van de mystiek voor het welzijn van de wereld. In deze tekst overbrugt hij de kloof tussen mystiek en engagement enerzijds en de kloof tussen mystiek en religie anderzijds. Volgens Sogyal heeft de mystiek een transformerende kracht en dat is wat zo broodnodig is om engagement te doen ‘slagen’. ‘Het onderricht van alle mystieke tradities in de wereld,’ zo schrijft hij[i], ‘maakt duidelijk dat zich in ons een enorm reservoir aan kracht bevindt, de kracht van wijsheid en mededogen, de kracht van wat Christus het Koninkrijk des Hemels noemde. Wanneer wij leren hoe wij deze kracht kunnen gebruiken – en dat is waar het om gaat in de zoektocht naar verlichting – kan dit niet alleen onszelf transformeren, maar ook de wereld om ons heen. Nooit eerder was er een tijd waarin het zo urgent was deze heilige kracht in te zetten, en nooit eerder was er een tijd waarin het van vitaal belang was de natuur van deze zuivere kracht te begrijpen, haar te leren kanaliseren en aan te wenden voor het welzijn van de wereld.’

Eén woord dat vrede brengt is meer waard dan duizend holle woorden.
Eén zin die vrede brengt is meer waard dan duizend loze zinnen.
Eén geschrift dat vrede brengt is meer waard dan duizend boeken die nergens over gaan.

Prachtige woorden van Prins Siddharta Gautama, die later Boeddha werd genoemd. Er zit een diepe spirituele betekenis achter de geboorteverhalen van Mozes, Jezus, Mohammed en Krishna. In het boek ‘De grote transformatie’[ii] over het begin van onze religieuze tradities laat godsdienstfilosofe Karen Armstrong zien hoe de gevestigde religies hebben altijd een beetje de neiging om God en de profeten voor hun karretje te spannen. Maar daar gaat iets mis. Mozes was geen jood, Boeddha was een boeddhist, Krishna is geen hindoe, Mohammed is geen moslim en Jezus werd, zoals dr. Anton Wessel zegt in het boek ‘Thora, Evangelie en Koran’ zeker niet als christen geboren. Deze grote geesten waren de belichaming van de Liefde waardoor de wereld is geboren, de Liefde waardoor de wereld wordt onderhouden, de belichaming van de liefde waardoor de mensheid en de wereld wordt onderhouden.

[i] Sogyal Rinpoche, Dagend Inzicht, Uitg. Servire, ISBN

[ii] Karen Armstrong, De grote Transformatie, Uitg. De Bezige Bij, ISBN 90 234 1870 0